Self is a flower

Self is a flower

Friday, 24 February 2017

Kommando Truppenübungsplatz Allentsteig

Autobiografisch Nederlandstalig proza, over ons leven vlakbij een militair oefenterrein.

1.
Mijn kinderen groeien op met dagelijks het geluid van knetterende machinegeweren en exploderende handgranaten. Sommige dagen gaat het door tot diep in de nacht, vraag ik me af of hier nu echt een oorlog is uitgebroken. Wat doen ze daar de hele dag in het bos? Waar schieten ze in hemelsnaam op? Schieten ze gaten in de bomen? Rijden er automatische poppen over tracks die de soldaten dienen te raken? Schieten soldaten direct op mensen? Of op gebouwen met mensen erin? Hoe weten ze dat ze de juiste raken? Hoe leren ze niet gedevesteerd te zijn als ze onschuldigen doden? Hoe, voldoening te vinden in het neerknallen van de naasten van het kwaad, niet het kwaad zelf? Kan het kwaad zelf, ueberhaupt geraakt worden? De liefde in ieder geval niet.


Ik ben een pacifist in hart en nieren. Ik geloof niet in het leger. Ik denk aan het geld dat ze de lucht in schieten, terwijl ik hier tenauwernood in staat ben de rekening voor de verwarming te betalen. Ik heb drie kinderen, een meisje en twee jongens. De jongen die kan praten zegt: ‘Zijn die boos?’. ‘Nee, zeg ik, dat is het leger. Die beschermen ons.’ Waarmee ik zeg dat er kwaad is waar tegen we beschermt dienen te worden. ‘Zijn die boos?’ vraagt hij de volgende dag weer. Hij heeft gelijk, mijn antwoord was ontoereikend.  Wie schiet moet toch echt boos zijn. Ik antwoord ontkennend op zijn vraag omdat ik hem wil beschermen. Ik wil niet dat hij weet dat kinderen zoals hij, ergens anders worden neergeschoten. Ik wil niet dat hij het ziet. Ik ben een hele trotste moeder. Zoals moeders moeder zijn, wil ik zien hoe zijn verstand, gebalsemd met liefde, de wereld meester wordt. Wat echt is, dient te worden begrepen, al het andere blijft een spel.
Soms beeft de aarde omdat ze zo hard oefenen. Hoe zal de aanwezigheid van het leger in mijn jongens groeien? Helpt het mijn kinderen betrekken bij het planten van zaden terwijl we zingen genoeg om ze pacifistisch te maken? Een wild gebied in een kind is niet maakbaar. Je plant een zaadje en hoe het wezentje haar blaadjes uitvouwt ligt opgeslagen in cellen die voor mensenogen onleesbaar zijn.  Je bent zoooo lief, zooo mooi. Ik overdrijf mijn verstand kapot, mijn hart enorm. Ze zeggen dat ze sneller groeien als je ze liefdevol toespreekt.


Hij heeft een piratenboot, een haak, een kostuum, een zwaard. We doen hier niet aan papagaaien in kooien. ‘Daar staat een totenkopf op.’ zegt hij, en dat is ‘cool’.  Een Totenkopf zit in ons. Ik noem onze namen en dat ieder van ons zo’n doodshoofd in zich heeft, met dezelfde stem die vraagt hoe het in Kindergarten was. Mijn dochter vindt het interessant en denkt er ogenschijnlijk over na, herhaalt onze namen en het woord Totenkopf. Ik verander het in een taalles. Doodschoofd of schedel, skull. Ze herhaalt en lacht. Hij speelt dat hij het coole kwaad is zonder erover na te denken. Hij, die in tranen uit barst als hetzelfde coole kwaad zich in het spel, in de vorm van onze buurjongen,  tegen hem richt. Dit moment is alles. Het maakt me niet uit waar het over gaat, we gaan het wel aan, het spel dat langzaam echt wordt. We krijgen het wel gedaan of krijgen het wel voor elkaar ongedaan te blijven terwijl alles, goed, kwaad ver van ons, rondom ons, door ons heen gebeurt.


Als moeder ben ik bang dat dromen uitkomen. Ik droomde voor ik kinderen kreeg, dat ik mijn kinderen spelend in de velden hier, van boven zag. Veel te vroeg, de oudste hooguit acht. Ik ben nodig en alles behalve vrij. Ik hoor hier, ben een boom die pakken sneeuw op haar takken dient te verdragen. Ik mag vriezen, ergens breken, maar niet te diep. Het dooit door mijn wandeling en de breekplekken worden zichtbaar. Ik passeer berk na gebroken berk terwijl de granaten exploderen. Die twee gegevens hebben niets met elkaar te maken. Ik kom sowieso dichterbij, ongekroond. ik kan niet wachten op de bladeren.

No comments:

Post a Comment